Ik dacht dat ik mijn duurzame leven aardig op de rails had. Op het dak: zonnepanelen. Op de oprit: een hybride auto—zo’n auto die fluistert: “rustig maar, ik bén bijna elektrisch.” In de schuur: een fiets. Een hele fiets. Met banden en een bel. En toch… elke werkdag sta ik weer bij die auto met mijn laptoptas, alsof die fiets alleen is aangenomen als decorstuk. Mensen die zeggen dat als je dicht bij kantoor woont, je vast altijd met de fiets gaat.
Duurzaamheid is bij mij soms vooral een goede reden om spullen te kopen die ik vervolgens niet volledig gebruik. Is duurzaamheid dan nog steeds prioriteit? Ja. Alleen niet altijd op maandag om 8.12 uur.
De grap is: als ondernemer bén je al duurzaam ingesteld. We noemen het alleen anders. Minder verspillen heet 'lean'. Minder kilometers heet 'efficiënt plannen'. Minder energie heet 'kostenbeheersing'. En ineens is het geen idealisme meer, maar gewoon boekhouden met een groen randje.
Thuis zie ik dat verschil trouwens haarscherp. Mijn partner heeft een kozijnenbedrijf, dus duurzaamheid is zeker een gespreksonderwerp. Vorig jaar is een nieuwe goed geïsoleerde aluminium schuifpui geplaatst. Sindsdien is het binnen merkbaar warmer, tocht is verdwenen en het energieverbruik ging omlaag. Het mooie? Je hoeft er niets extra’s voor te doen. Je hoeft niet harder je best te doen. Je merkt het gewoon—elke dag.
En dat is misschien mijn grootste les: de meest haalbare duurzaamheid is de variant die niet leunt op wilskracht maar eigenlijk vanzelf gaat zonder dat je je best hiervoor hoeft te doen. Ik kan best één of misschien wel twee dagen per week op de fiets naar kantoor. Niet meteen een heroïsche Tour de Finance, maar gewoon: dinsdag. En als dat lukt, misschien ook donderdag. Is in meerdere opzichten goed.
En mocht ik toch weer in die hybride stappen, dan troost ik mijzelf met de gedachte dat ik wel het papier, de lege flessen en het plastic in de juiste bakken heb gedaan.
| Page 48 | Page 52 |